Hoe is het om buksmeester te zijn?
Hoe is het om buksmeester te zijn?
Het klinkt als een oud en vergeten beroep: de buksmeester. Net als de schillenboer. Of neem de porder, die in het industriële tijdperk met een stok tegen deuren tikte zodat arbeiders op tijd op hun werk konden komen. Om de hoger gelegen ramen van de slaapkamer te bereiken schoot hij gedroogde erwten uit een blaaspijp. Je ziet het zo voor je, als een scène uit een historische film over het ruige arbeidersleven in een stadje halverwege de negentiende eeuw met schachten en staalfabrieken.
Bij de buksmeester past het decor van de late middeleeuwen. Met de uitvinding van het buskruit werd het belangrijk om een vakman te hebben met specifieke kennis van kruitverhoudingen en richttechnieken. Deze middeleeuwse busmeester (geen typefout) bediende het geschut en beheerde de voorraad buskruit in een stad. De bus was de naam voor een kanon en de voorloper van het moderne geweer: de haakbus.
De busmeester is als beroep uitgestorven, maar de buksmeester heeft nog altijd een onmisbare functie binnen de schutterij. Want zonder een buksmeester, die de wapenwet kent en een wapenvergunning heeft, kan een schutterij niet voortbestaan. En vergeten is de buksmeester ook niet, althans niet in Limburg. In december 2025 reikte de OLS-federatie, die sinds 2005 de vierdaagse basisopleiding tot gecertificeerd buksmeester verzorgt, voor de duizendste keer het diploma uit.
Dat het een oud ambacht is, waarvoor specialistische kennis is vereist, staat buiten kijf. In de aanloop naar het nieuwe seizoen staan Wim Biermans (79) en Wien Leppers (77) in het schutterslokaal van Sint-Andreas kogels te gieten uit gesmolten lood. Het werk vereist precisie en technische kennis. De uitdaging is om met de juiste temperatuur in de smeltbak een loden prop te maken met het juiste gewicht. Deze gaat vervolgens in een koperen huls, samen met een slaghoedje en de juiste hoeveelheid kruit. In een jaar tijd schiet de vereniging meer dan tienduizend patronen richting de hark met de rijen zwartebölkes, die overigens niet rond zijn, zoals de naam suggereert. Het zijn minuscule, zwartgelakte houten kubussen. De naambölkeverwijst naar de tijd dat er nog geschoten werd op ronde aardappeltjes.
Is het leuk om buksmeester te zijn bij een schutterij? Wien: ‘Iemand moet het doen. Je moet zorgen dat alles klaar staat, dus dat is niet altijd leuk. Bij Sint-Andreas hebben we nog drie buksmeesters. Dat is fijn, want daardoor kunnen we elkaar afwisselen.’ Omdat ze zelf al aardig op leeftijd zijn, is het voor Wim en Wien een geruststellende gedachte dat hun jongere opvolgers er al zijn. Want is het aantrekken van nieuwe leden al lastig, vindt maar eens iemand die je kunt interesseren voor hun specialisme. ‘Soms meldt iemand zich aan die het leuk vindt om te schieten’, zegt Wien. ‘Maar dan willen ze niet in een uniform lopen. Tja, die mensen zijn er genoeg. Maar dan pas je niet bij een schutterij.’
Om raak te schieten moet de vijftien kilo zware buks goed afgesteld zijn. Ook dat hoort bij de taak van de buksmeester. Net als het beheren, schoonmaken en vervoeren van de buksen. Tijdens een schuttersfeest is de buksmeester gemakkelijk te herkennen aan zijn plek bij de schietboom. Hij plaatst de buks op de aanlegpaal en coacht elke schutter van het zestal. ‘Het begint met nestelen, gemakkelijk gaan staan’, zegt Wim. ‘Vergelijk het met het vinden van de beste slaaphouding.’ Na een moment van concentratie, waarbij de schutter het hoofd afwendt en de blik naar binnen keert, laadt de buksmeester het geweer en verwijdert hij na het schot de lege huls uit de kamer.
Dat een goede buksmeester het verschil kan maken tussen winnen of verliezen op een OLS, gaat er bij Wim en Wien niet in. ‘Ook een geoefende schutter schiet wel eens mis, zeker als de zon fel schijnt’, zegt Wim. ‘Het bovenste deel van hetbölkeis dan niet zichtbaar. Daarom moet je bij het richten de loop van het stokje volgen. Maar het belangrijkste is om de zenuwen de baas te blijven, zeker op het OLS.’
Opvallend is dat er voor veel ‘figuren’ van een schutterij op een OLS een individuele prijs te winnen is, behalve voor de buksmeester. ‘Dat is maar goed ook’, reageert Wien. ‘We zijn geen mensen die op de voorgrond willen staan.’ Wat dat betreft lijkt hun rol op die van een bassist of drummer in een muziekband. Aanwezig op de achtergrond, maar onmisbaar om de muziek te laten swingen.